Betekenissen
Iemand of iets dat aanvalt, of een speler in de voorhoede.
Herkomst van het woord
afgeleid van aanvallen met het achtervoegsel -er
Gebruikt in een zin
“Duitsland was in de Tweede Wereldoorlog de aanvaller.”
“Niet dat ik met dat bouwwerk aanvallers buitenhoud, maar elke barrière die je opwerpt zorgt wel voor vertraging.”
“Gwennan wees me de kraagstenen, waarop ze de potten met kokende olie plaatsten om op aanvallers uit te storten.”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Spits voorin”9 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
A________