Betekenissen
iemand die in het groot verkoopt, een groothandelaar
Herkomst van het woord
In de betekenis van ‘groothandelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1485
Gebruikt in een zin
“Ik grossier.”
“Grossier!”
“Grossier je?”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Handelaar in bulk”8 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
G_______