Betekenissen
Grote roofvis uit zoet water met lang lichaam en scherpe tanden.
Herkomst van het woord
van Middelnederlands snoec, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1286
Gebruikt in een zin
“Ik snoek.”
“Snoek je?”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Vis met lange snuit”5 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
S____