Betekenissen
iemand die fietst
Herkomst van het woord
samenstelling van wiel zn en rijder zn , in de betekenis van ‘fietser’ in 1869 gevormd door de 19e-eeuwse Nederlandse letterkundige Alfred Buijs naar het voorbeeld van een woord als paardrijder, op te vatten als afgeleid van wielrijden ww met het achtervoegsel -er
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Fietser”10 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
W_________