Betekenissen
kameraad, makker, metgezel, vriend
Herkomst van het woord
[1][2] Ontleend aan Middelnederduits māt, māte “metgezel”, “makker”, uit Germaans *gimato “disgenoot”, “metgezel”. In de betekenis van ‘metgezel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546.
Gebruikt in een zin
“Zij maakte er wandelingen met een van mijn collega- psychologen van de praktijk waar ik destijds maat was.”
“Hij wilde met zijn maten naar de kroeg, maar zijn vriendin was daar niet zo blij mee.”
“Hij speelde de slag naar zijn maat toe.”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Goede vriend”4 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
M___