Betekenissen
iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft, zakenpartner, handelspartner
Herkomst van het woord
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘deelgenoot’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Gebruikt in een zin
“Zijn partners waren niet bereid nog meer geld in de zaak te steken.”
“Komt uw partner ook mee?”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Levensgezel”7 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
P______