Betekenissen
een (mannelijk) persoon die voor zijn plezier reist (een toer maakt)
Herkomst van het woord
Leenwoord uit Engels tourist (lett. “iemand die een toer, rondreis maakt”), in de betekenis van ‘die reist voor zijn genoegen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Gebruikt in een zin
“In dat land werd hij als een toerist ontvangen.”
“Het was welbeschouwd belachelijk dat die dingen in de eenentwintigste eeuw nog steeds bestonden, als prehistorische watervogels die op een wonderlijke manier weer tot leven waren gewekt voor de toeristen.”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Reisgast”7 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
T______