Betekenissen
metgezel, makker, maat, kompaan, vriend
Herkomst van het woord
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘handelsgenoot’ voor het eerst aangetroffen in 1574
Gebruikt in een zin
“Hij ging samen met zijn compagnon op vakantie.”
Bron: Wiktionary, CC BY-SA 4.0
Gebruikt als kruiswoordantwoord1 gecureerde aanwijzing
01“Zakenmaat”9 letters
Niet helemaal goed?
"Zoek vergelijkbare patronen."
C________